Plato’s WE-300 – Afdingen

Harde woorden vlogen over en weer, zowel in het gesproken woord als in het geschrevene. Vanuit een primitief instinct kwam alles dat al heel lang heel diep borrelde en verzwegen was om welke, op dit moment onlogische redenen, naar boven drijven. Onstuitbaar, het moést eruit, het kon niet anders. Even nergens meer rekening mee houdend werd de beerput omgekeerd, eentje die niet alleen een uur in de wind stonk maar ook nodig eens geleegd moest worden.

Wát was er nou precies gebeurd dat de aanleiding tot die uitbarsting vormde? Hoezeer ze ook haar hoofd pijnigde, ze kwam er maar niet op. Er was, ineens, zóvéél dat zich een uitweg baande. Zelfs als ze het puur voor zichzelf probeerde te ordenen buitelden de woorden over elkaar heen. Ze wist gewoonweg niet wat haar nou het meest zeer van alles deed, het voelde alsof alles gelijke zeer deed. Proberend het te analyseren kwam ze er ook niet uit. Ze trok zich in zichzelf terug, zich wel bewust van een groeiende wanhoop omdat er geen licht scheen te schijnen aan het eind van deze emoties-tunnel. Een licht dat juist zij zo hard nodig had.

Tringgg tringgg…een vrolijk deuntje vulde de donkere kamer. Even met de ogen knipperend, als om zichzelf weer in het moment van het nu terug te zetten nam ze de telefoon op en daar klonk een lieve stem: ‘dag lieverd met mij, wat er is aan de hand?’. Haar zus, frêle van bouw, maar toch altijd zo stoer en sterk, wist zonder ook maar één woord van nood dat er hoge nood was. Zij wás ér! Luisterend. Zus antwoordde: Over jouw liefde valt niet te onderhandelen, men kan het nemen of laten. Degenen die het laten weten niet wat ze missen.