Fier

Als oud zeer de kop weer eens opsteekt,
op duivelse tonen jou toespreekt,
vlieg dan gerust op
naar d’hoogste boomtop,
voordat de grond onder je voet breekt.

Laat ‘t je niet meer, nooit weer, verzwelgen
Ga al dat ouds maar verdelgen.
Gisteren was cru,
voorbij. Jij leeft nu.
Wat ooit was zijn slechts ‘s levenstelgen.

Laat niets jouw vlucht ooit weer verstoren
Voel je compleet nieuw als herboren!
Zet duidelijk je punt
Dát is je gegund
Ga fier alleen jouzelf bekoren.

(F)-luisteren-(d)

Alles
schijnt leeg
en lijkt verloren
als oren zijn gesloten
Spoor jezelf aan te luisteren
Begin noch einde bestaat, slechts fictie

Hoor en ontwaar wat de bomen fluisteren

Begin noch einde bestaat, slechts fictie
Tijd beweegt zich zonder grenzen
laat haar sporen achter
Volg het gefluister
en hoor
Alles.

(Niet) zelf baas

 

Zo
veel mensen.
Harten met wensen,
krijg je allemaal cadeau.

Soms met horten en stoten,
dan weer lopend als een trein,
lijken alle wegen van en naar afgesloten.
Focussen op een opening die elders moet zijn.

Weer wordt bewezen dat je wel alles kunt willen
maar dat je die regie niet in eigen handen hebt.
Het lukt je dan ook niet je schreeuwend hart te stillen.
Keer op keer ontdekken dat het hart zelf bepaalt waar ‘t ruimte schept.

Alles heeft zijn tijd


(Foto met dank aan Ellen C.)

 

Zachte voetjes dalen weer neer,
onweerstaanbaar aangetrokken.
Vrijmoedig en onverschrokken,
het ontastbare beroert teer.

 

Heden en verleden kwamen
vandaag zo maar weer eens bijeen.
Verenigd, weer even samen.
‘Ik ben er, je bent niet alleen’.

 

Werelden eindig gespleten.
Mist die de grens nog verduistert
tot onze tijd is versleten.

 

Namen liefdevol gefluisterd
geen één wordt een keer vergeten,
want er wordt altijd geluisterd.

 

Sporen

Vervagend, meer en meer verholen, bijna uit ‘t zicht
Nauwelijks nog met de ogen waarneembaar wellicht
Tracht Tijd te voldoen aan de haar opgelegde plicht
en bouwt zij,  laagjes stapelende, de wonden dicht.

Uiteindelijk onzichtbaar, op ‘t eerste oog niet daar,
is Tijd met haar taak desalniettemin nog niet klaar.
Dat wat gedragen moet worden is af en toe zwaar,
voortstappen valt tegen, wanneer voorzien van een blaar.

Een nieuwe weg vinden schoon gevallen hiaten,
vasthoudend aan: “ze hebben je niet echt verlaten”.
Luid of zwijgend over, en met, hen blijven praten,
hun sporen vullen onafgebroken de gaten.

Brandende blaren die je voortgang steeds verstoren
Onaanvaardbaar gemis van hen die bij jou horen.
Onmacht die zich vooralsnog niet wil laten smoren,
bemoediging ligt in achtergelaten sporen.

 

 

 

Puzzelstukjes

 

Een ieder heeft een taak,
is een puzzelstukje op aarde
en heeft een nodige waarde.
Alléén de complete puzzel schiet raak.

 

Zo af en toe kan een stukje ontsporen.
Het kleine én het grote deel
vormen samen het geheel.
Niet teruggevonden gaat het verband verloren.

Verlies geen enkel stukje uit het oog,
hou ze allemaal in tact.
Valt er eentje, haal het dan weer omhoog.

 

Elke vorm van contact,
dat hoeft geen betoog,
geen puzzelstukje kan zonder de ander’s impact.

Onverholen

Alle gebeurtenissen
gaandeweg je leven
kunnen het gevoel “rijk” geven
zelfs als je veel moet missen

Voelen wat er is, én gebeurt
Je in hemel of hel wanen
onvermijdelijke levensbanen
Licht en donker ingekleurd

Achtergelaten voetstappen
elk onuitwisbaar spoor
goed en kwaad behappen

Zie, wat ligt voor
Achter laten ontsnappen
Alles, óók ‘t  jouwe, gaat door

Stil-heel-stil

Uit het leven gerukt,
van fundamenten gescheiden.
Voorgoed een eind aan het lijden,
toch wel aan bloei ontplukt.

Willen, maar nog niet kunnen, verhullen.
Een stem die nu geluidloos schreeuwt,
verdriet dat alles onder sneeuwt,
hoe het ontstane gat weer te vullen.

Herinneringen koesterend bewaren.
De Tijd de tijd gunnen haar werken te doen.
Gaandeweg geniet-momentjes vergaren.

Stapje voor stapje, nog in knellende schoen
De huzarenklus proberen te klaren
Vertrouwen op ‘Ooit zie ‘k je weer’-visioen.

Uitgebloeid

Aan je bestaan komt een eind, je dagen zijn geteld
nadat je in pracht en praal voluit bent opgeweld.
Het overleven is begonnen, tijd is zo geronnen.
Kracht glipt als zand door je vingers,
je reikt hongerig naar het licht.
Stralend in pracht en praal
je sporen rond strooien.
Nog iets geven,
voluit leven.
Uitgebloeid.
Leven gegeven
door uitbundige bloei.
In ronde rij gerangschikt
nadat je je fundamenten verloor.
Vooraleerst met gelijken op een hoop,
daar dan weer weg geplukt en meegenomen.
Daarna werd je dagelijks attent gevoed en verzorgd
en kreeg je een mooie plaats en bewonderende blikken.
Het zaadje gezaaid, door wind verwaaid, bloeiend leven dat verfraait.